noun
bedrijf, onderneming, werking
B1
Betrieb is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent “bedrijf, onderneming, werkplaats” of “werking, bedrijfstoestand”. Meervoud: Betriebe. Genitief enkelvoud: des Betriebs. Veel gebruikt voor bedrijven, werkplekken en het functioneren van machines of systemen.
Voorbeelden
Das kleine Geschäft ist ein familiengeführter Betrieb.
De kleine winkel is een familiebedrijf.
Der Betrieb stellt nächste Woche neue Mitarbeiter ein.
Het bedrijf neemt volgende week nieuwe medewerkers aan.
Der Betrieb ist geschlossen.
Het bedrijf is gesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een fabriek voor met een bord «Betrieb» waar machines draaien.
Betrieb — klinkt als «be trip» — denk aan een zakenreis met een bedrijf.
der — mannelijk; denk aan «der Betrieb» (het bedrijf).
Opmerkingen
«Betrieb» kan verwijzen naar een bedrijf, een industriële activiteit of het functioneren/de werking van een machine («in Betrieb» = in werking). De context bepaalt de precieze vertaling.