noun
beroep, vak
A1
Beruf is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „beroep” of „vak”. Meervoud: Berufe. Genitief enkelvoud: des Berufs. Het woord verwijst meestal naar een vaste, gekwalificeerde beroepsactiviteit, niet naar een tijdelijk baantje. Vaak met als: als Lehrer arbeiten, en in de uitdrukking im Beruf.
Voorbeelden
Viele Lehrer waren stolz auf ihren Beruf, obwohl der Lohn damals nicht hoch war.
Veel leraren waren trots op hun beroep, hoewel het salaris toen niet hoog was.
Welchen Beruf hast du gelernt?
Voor welk beroep heb je je opgeleid?
Sein Beruf ist Lehrer.
Zijn beroep is leraar.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een visitekaartje voor onder een dak met het label „Beruf”.
Klinkt als „be roof” — stel je een dak voor met een functietitel erop.
der — denk aan „der Beruf” (mannelijk) als je over een baan praat.
Opmerkingen
Meervoud: Berufe. Veelgebruikt in werkgerelateerde contexten.