bereit

adjective
klaar, bereid, gewillig
B1

bereit betekent ‘klaar’, ‘bereid’ of ‘voorbereid’. Het wordt vaak gebruikt met zu + infinitief: bereit zu helfen, en met für + accusatief: bereit für etwas. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: bereiter, am bereitesten. Attributief en predicatief mogelijk.

Voorbeelden

Das Team ist für das Meeting gut vorbereitet und bereit.
Het team is goed voorbereid op de vergadering en klaar.
Ich bin bereit zu gehen.
Ik ben klaar om te gaan.
Die Feuerwehr war bereit, als der Alarm ausgelöst wurde.
De brandweer was klaar toen het alarm afging.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapbereiter
Overschrijvende trapam bereitesten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een persoon met een rugzak voor die zegt: 'Ik ben klaar!'
👂sounds like 'bear it' — 'bear it' to be ready

Opmerkingen

Verwar «bereit» (klaar/bereid) niet met «bereits» (al). «bereit» beschrijft gereedheid of bereidheid.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek