adjective
klaar, bereid, gewillig
B1
bereit betekent ‘klaar’, ‘bereid’ of ‘voorbereid’. Het wordt vaak gebruikt met zu + infinitief: bereit zu helfen, en met für + accusatief: bereit für etwas. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: bereiter, am bereitesten. Attributief en predicatief mogelijk.
Voorbeelden
Das Team ist für das Meeting gut vorbereitet und bereit.
Het team is goed voorbereid op de vergadering en klaar.
Ich bin bereit zu gehen.
Ik ben klaar om te gaan.
Die Feuerwehr war bereit, als der Alarm ausgelöst wurde.
De brandweer was klaar toen het alarm afging.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon met een rugzak voor die zegt: 'Ik ben klaar!'
sounds like 'bear it' — 'bear it' to be ready
Opmerkingen
Verwar «bereit» (klaar/bereid) niet met «bereits» (al). «bereit» beschrijft gereedheid of bereidheid.