noun
bon, bewijs, bewijsstuk
B1
Beleg is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘bon’, ‘bewijs’ of ‘bewijsstuk’ dat een betaling of feit aantoont. Meervoud: Belege. Regelmatige verbuiging. Veel gebruikt in administratie en boekhouding; vaak in Belege aufbewahren (‘bewijzen/bonnen bewaren’).
Voorbeelden
Heben Sie den Beleg als Kaufnachweis gut auf.
Bewaar de bon goed als aankoopbewijs.
Kannst du mir bitte den Beleg geben?
Kun je me alsjeblieft het bonnetje geven?
Der Kunde legte den Beleg vor, damit die Rückzahlung bearbeitet werden konnte.
De klant legde het bewijs van betaling voor, zodat de terugbetaling kon worden verwerkt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een papieren bon («Beleg») voor, vastgehecht aan een map met het label «bewijs»
klinkt een beetje als het Engelse «leg» — stel je een bon voor die aan een tafelpoot is geplakt
DER Beleg — stel je een man voor met de naam «Beleg» die een bon overhandigt (der = mannelijk)
Opmerkingen
Beleg wordt vaak gebruikt voor bonnetjes, vouchers of elk document dat als bewijs dient. Het meervoud is «Belege».