noun
bank, bankje
A1
Bank heeft twee hoofdbetekenissen: „bank” als financiële instelling en „bank/zitbank” als meubel. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Bank. Let op de verschillende meervouden: Banken en Bänke. De betekenis bepaalt dus de vorm.
Voorbeelden
Die Reporter erwähnten die Bank, die gestern überfallen worden war, weil viele Kunden betroffen waren.
De verslaggevers noemden de bank die gisteren was overvallen, omdat veel klanten getroffen waren.
Wir sitzen auf der Bank im Park.
We zitten op de bank in het park.
Ich zahle das Geld bei der Bank ein.
Ik stort het geld op de bank.
Details
Ezelsbruggetjes
twee afbeeldingen: een gebouw met geld voor «bank» en een houten bankje voor «bench»
die Bank — stel je een vrouwelijke bankier (die) achter de balie voor
Opmerkingen
Bank kan een financiële instelling of een bankje betekenen; de context verduidelijkt de betekenis.