verb
stemmen, afstemmen, coördineren
B1
abstimmen is een scheidbaar werkwoord met twee hoofdbetekenissen: „stemmen over” en „afstemmen / coördineren”. Perfekt: hat abgestimmt. Het is regelmatig en niet wederkerend. Met über + accusatief voor een stemming, met mit + datief voor afstemmen met iemand.
Voorbeelden
Wir stimmen morgen über den Vorschlag ab.
We stemmen morgen over het voorstel.
Der Rat stimmte über den Plan ab, nachdem die Experten ihren Bericht präsentiert hatten.
De raad stemde over het plan nadat de experts hun rapport hadden gepresenteerd.
Sie stimmten über das Gesetz ab.
Ze stemden over de wet.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je handen voor die naar beneden gaan (ab-) om een stembiljet in een bus te gooien, waarna iedereen instemmend knikt.
Denk aan „ab-STIM-men” — „stim” doet denken aan „team”: stel je een team voor dat samen stemt.
Opmerkingen
Het voorvoegsel „ab-” is scheidbaar: in hoofdzinnen scheidt het voorvoegsel zich af (ich stimme ab). Veelgebruikte betekenissen: „über etwas abstimmen” (over iets stemmen) en „etwas auf etwas abstimmen” (iets afstemmen/coördineren).