adjective
absoluut, volstrekt
B1
absolut is een bijvoeglijk naamwoord en ook een bijwoord: ‘absoluut’, ‘volledig’, ‘helemaal’. Het drukt sterke nadruk uit en is meestal niet vergelijkbaar in trappen van vergelijking. Tegenstelling: relativ. Veelgebruikt in zowel spreektaal als schrijftaal.
Voorbeelden
Er ist absolut sicher, dass er morgen kommt.
Hij is er absoluut zeker van dat hij morgen komt.
Die Ergebnisse wären absolut notwendig gewesen, damit das Projekt weiterlaufen konnte.
De resultaten zouden absoluut noodzakelijk zijn geweest om het project te kunnen voortzetten.
Das ist eine absolute Notwendigkeit für das Projekt.
Dat is een absolute noodzaak voor het project.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een stempel voor met ‘ABSOLUT’ erop om te laten zien dat iets definitief en totaal is.
Klinkt als het Engelse ‘absolute’ — dezelfde betekenis en sterke nadruk.
Opmerkingen
Wordt zowel als bijvoeglijk naamwoord gebruikt («absoluut») als informeel als bijwoordelijke versterker («absolut» = absoluut). Vergrotende trappen zijn zeldzaam; meestal worden in plaats daarvan versterkers gebruikt.