noun
vervoermiddel, transportmiddel, voertuig
A2
Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Verkehrsmittel, ‘vervoermiddel’ of ‘transportmiddel’. Het meervoud is gelijk aan het enkelvoud: die Verkehrsmittel. Vooral in het meervoud heel gebruikelijk, bv. öffentliche Verkehrsmittel. Genitief enkelvoud: des Verkehrsmittels.
Voorbeelden
Da viele Verkehrsmittel ausfielen, entschieden sich die Pendler, früher aufzubrechen, damit sie pünktlich bei der Arbeit ankamen.
Omdat veel vervoermiddelen uitvielen, besloten de forenzen eerder te vertrekken zodat ze op tijd op het werk aankwamen.
Welche Verkehrsmittel nutzen Sie?
Welke vervoermiddelen gebruikt u?
Ein Fahrrad ist oft das schnellste Verkehrsmittel im Zentrum.
Een fiets is vaak het snelste vervoermiddel in het stadscentrum.
Details
Ezelsbruggetjes
Pictogrammen van bus, trein en fiets samen gegroepeerd
Denk aan ‘verkehrs + mittel’ = traffic + middle (methods) ⇒ vervoermiddelen
das — stel je ‘das Verkehrsmittel’ voor als een neutrale doos met veel vervoersopties
Opmerkingen
Samengesteld zelfstandig naamwoord (Verkehr + Mittel). Het meervoud is meestal gelijk aan het enkelvoud: die Verkehrsmittel.