Verkehr

noun
verkeer, verkeersdrukte, transport
A2

Verkehr is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Verkehr. Het betekent vooral verkeer op de weg, de stroom van voertuigen en mensen, en ook vervoer van goederen. Meestal gebruikt als niet-telbaar woord in het enkelvoud; de meervoudsvorm Verkehre komt alleen zelden en technisch voor.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Weil der Verkehr stark war, kam der Bus verspätet an, sodass die Reise sich um eine Stunde verlängerte.
Omdat het verkeer druk was, kwam de bus te laat aan, waardoor de reis met een uur werd verlengd.
Im Morgenverkehr gibt es oft Staus.
Tijdens de ochtendspits zijn er vaak files.
In dieser Stadt ist der öffentliche Verkehr gut ausgebaut.
In deze stad is het openbaar vervoer goed ontwikkeld.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALVerkehre

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Verkehrdie Verkehre
genitivedes Verkehrsder Verkehre
dativedem Verkehrden Verkehren
accusativeden Verkehrdie Verkehre

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Een drukke straat vol auto’s en bussen om verkeer voor te stellen.
👂Klinkt een beetje als ‘fair care’ — denk aan zorgen voor wegen en verkeer.
⚧️der — stel je ‘der Verkehr’ voor als een grote mannelijke dirigent die het verkeer regelt.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wordt vaak gebruikt als een niet-telbaar zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘verkeer’. Kan in specifieke contexten ook in het meervoud ‘Verkehre’ voorkomen (bijv. historisch of technisch).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS