noun
oefening, praktijk
B1
Übung (v.) betekent ‘oefening’, ‘training’ of ‘praktijk’. Het meervoud is Übungen. Je gebruikt het voor een taak op school, bij sport of in een taalcursus: eine Übung machen, zur Übung. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord, regelmatig en telbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Diese Übung ist sehr gut für die Bauchmuskeln.
Deze oefening is heel goed voor de buikspieren.
Ich mache jeden Tag eine Übung, um mein Deutsch zu verbessern.
Ik doe elke dag een oefening om mijn Duits te verbeteren.
Zur Übung wiederholen wir den Dialog im Kurs.
Ter oefening herhalen we de dialoog in de les.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een werkblad voor met de titel Übung en een leerling die antwoorden omcirkelt — een duidelijk beeld voor ‘oefening’.
Klinkt een beetje als ‘you-bung’ — stel je voor dat ‘you’ een ‘bung’ aan oefeningen doet.
Die Übung — onthoud dat veel vrouwelijke zelfstandige naamwoorden op -ung eindigen, dus ‘die’ hoort bij Übung.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Übung betekent meestal een oefenactiviteit of oefening (bijv. een oefening in een werkboek, repetitie). Veel zelfstandige naamwoorden op -ung zijn vrouwelijk. Je ziet «Übung» in onderwijscontexten en in uitdrukkingen als «zur Übung» (ter oefening).