Tal

noun
vallei
B1

Tal (das) betekent ‘dal’ of ‘vallei’: een laag gebied tussen heuvels of bergen, letterlijk of figuurlijk. Onzijdig zelfstandig naamwoord; meervoud: Täler. Genitief enkelvoud: des Tals. Vaak: im Tal, ins Tal.

Voorbeelden

Wir wanderten durch das schöne Tal.
We wandelden door de mooie vallei.
Am Ende des Tals lag ein kleiner Ort, der schon damals verlassen war.
Aan het einde van de vallei lag een klein dorp dat toen al verlaten was.
Das Tal ist von hohen Bergen umgeben.
De vallei is omgeven door hoge bergen.

Details

MeervoudTäler

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Taldie Täler
genitivedes Talsder Täler
dativedem Talden Tälern
accusativedas Taldie Täler

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een lage groene vallei voor tussen twee bergen, met het label «Tal».
👂Tal klinkt als Engels «tall», maar denk aan een lage plek — een vallei.
⚧️Korte onzijdige woorden zoals «Tal» krijgen vaak «das» — denk aan «das Tal».

Opmerkingen

Tal is een veelgebruikte geografische term; in het meervoud verandert de klinker vaak (Tal → Täler).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek