noun
vallei
B1
Tal (das) betekent ‘dal’ of ‘vallei’: een laag gebied tussen heuvels of bergen, letterlijk of figuurlijk. Onzijdig zelfstandig naamwoord; meervoud: Täler. Genitief enkelvoud: des Tals. Vaak: im Tal, ins Tal.
Voorbeelden
Wir wanderten durch das schöne Tal.
We wandelden door de mooie vallei.
Am Ende des Tals lag ein kleiner Ort, der schon damals verlassen war.
Aan het einde van de vallei lag een klein dorp dat toen al verlaten was.
Das Tal ist von hohen Bergen umgeben.
De vallei is omgeven door hoge bergen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een lage groene vallei voor tussen twee bergen, met het label «Tal».
Tal klinkt als Engels «tall», maar denk aan een lage plek — een vallei.
Korte onzijdige woorden zoals «Tal» krijgen vaak «das» — denk aan «das Tal».
Opmerkingen
Tal is een veelgebruikte geografische term; in het meervoud verandert de klinker vaak (Tal → Täler).