Tag

noun
dag
A1

Tag betekent ‘dag’ of ‘dagtijd’ (24 uur of het dagdeel). Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Tag, meervoud die Tage. Genitief: des Tages. Heel gebruikelijk in tijdsuitdrukkingen zoals jeden Tag en am Tag.

Voorbeelden

Heute ist ein wichtiger Tag für mich.
Vandaag is een belangrijke dag voor mij.
Ein Tag hat 24 Stunden.
Een dag heeft 24 uur.
Der Bürgermeister erinnerte daran, dass an diesem Tag die Geschäfte geschlossen blieben, weil ein Feiertag begangen wurde.
De burgemeester herinnerde eraan dat de winkels die dag gesloten bleven omdat er een feestdag werd gevierd.

Details

MeervoudTage

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Tagdie Tage
genitivedes Tagesder Tage
dativedem Tagden Tagen
accusativeden Tagdie Tage

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je de zon voor die opkomt en ondergaat om een dag weer te geven
👂Tag → klinkt als een dag-tag

Opmerkingen

Zeer veelvoorkomend mannelijk zelfstandig naamwoord. Meervoud: Tage.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek