noun
dag
A1
Tag betekent ‘dag’ of ‘dagtijd’ (24 uur of het dagdeel). Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Tag, meervoud die Tage. Genitief: des Tages. Heel gebruikelijk in tijdsuitdrukkingen zoals jeden Tag en am Tag.
Voorbeelden
Heute ist ein wichtiger Tag für mich.
Vandaag is een belangrijke dag voor mij.
Ein Tag hat 24 Stunden.
Een dag heeft 24 uur.
Der Bürgermeister erinnerte daran, dass an diesem Tag die Geschäfte geschlossen blieben, weil ein Feiertag begangen wurde.
De burgemeester herinnerde eraan dat de winkels die dag gesloten bleven omdat er een feestdag werd gevierd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je de zon voor die opkomt en ondergaat om een dag weer te geven
Tag → klinkt als een dag-tag
Opmerkingen
Zeer veelvoorkomend mannelijk zelfstandig naamwoord. Meervoud: Tage.