noun
werkdag, doordeweekse dag
A1
Wochentag is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Wochentag, meervoud Wochentage. Het betekent een dag van de week, vaak een werkdag van maandag tot vrijdag. Genitief enkelvoud: des Wochentags. Veel gebruikt bij data, afspraken en roosters.
Voorbeelden
Am Wochentag fahre ich zur Arbeit.
Op een doordeweekse dag ga ik naar mijn werk.
Als an einem Wochentag der Zug ausfiel, mussten die Pendler länger warten, weil es keine Ersatzverbindung gab.
Toen er op een doordeweekse dag een trein uitviel, moesten forenzen langer wachten omdat er geen vervangende verbinding was.
Der Montag ist ein Wochentag.
Maandag is een doordeweekse dag.
Details
Ezelsbruggetjes
een kalenderblokje met ‘Mon’, ‘Tue’ enz. gemarkeerd
klinkt als ‘woken-tag’ → een gemarkeerde dag waarop je niet uitslaapt
der (mannelijk): stel je een sterke ‘der’-stempel op elke werkdag voor.
Opmerkingen
Verwijst naar elke dag van de werkweek (werkdag).