adjective
positief, optimistisch
B1
positiv is een bijvoeglijk naamwoord en betekent „positief”, „gunstig” of „optimistisch”. Het kan ook een positieve testuitslag aanduiden. Vergrotende trap: positiver; overtreffende trap: am positivsten. Gebruik: ein positives Ergebnis, Das ist positiv. Antoniem: negativ.
Voorbeelden
Der Arzt bemerkte, dass das Ergebnis positiv gewesen war, obwohl weitere Tests empfohlen wurden.
De arts merkte op dat de uitslag positief was geweest, hoewel verdere tests werden aanbevolen.
Er bleibt trotz der Probleme positiv.
Hij blijft positief ondanks de problemen.
Die Rückmeldung war sehr positiv.
De feedback was zeer positief.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een duim-omhoogsticker voor met het woord „positiv” erop.
Bijna identiek aan het Engelse „positive” — dezelfde wortel en betekenis.