noun
gegevens, data
B1
Daten betekent ‘gegevens’ of ‘data’. In het gewone gebruik staat het vooral in het meervoud; het enkelvoud Datum betekent meestal ‘datum’. Genitief meervoud: der Daten. Veel gebruikt in IT, onderzoek en statistiek.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Forscher analysierte die Daten, weil sie für die Studie wichtig waren.
De onderzoeker analyseerde de gegevens omdat ze belangrijk waren voor het onderzoek.
Die Daten sind nicht vollständig.
De gegevens zijn niet volledig.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Visualiseer een spreadsheet vol cijfers met bovenaan de kop «Daten».
Klinkt als «date» + «n» — denk aan veel «dates» van metingen -> data.
Denk aan het meervoudsartikel «die Daten» — als je over datasets praat, zeg je meestal «die Daten».
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt in het dagelijks gebruik vaak alleen in het meervoud gebruikt (pluralia tantum). Het enkelvoudige concept is «Datum» (een afzonderlijke gegeven/entry), maar in de praktijk verwijst «Daten» naar datasets of informatie. | Alleen-meervoudig zelfstandig naamwoord; enkelvoudsvormen zijn niet van toepassing.