noun
bagage, luggage
A1
Gepäck betekent bagage: koffers, tassen en andere spullen die je meeneemt op reis. In het Duits is het onzijdig: das Gepäck; meestal onbepaald/ongtelbaar en zonder gewone meervoudsvorm. Voor losse stukken zeg je Gepäckstück/Gepäckstücke. Genitief: des Gepäcks.
Voorbeelden
Die Reisenden gaben das Gepäck am Schalter auf, weil der Zug bald abfuhr.
De reizigers gaven de bagage af bij de balie, omdat de trein binnenkort vertrok.
Bitte stellen Sie Ihr Gepäck auf die Waage.
Zet uw bagage alstublieft op de weegschaal.
Ihr Gepäck ist am Flughafen angekommen.
Haar bagage is op de luchthaven aangekomen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je koffers voor die op een luchthaven opgestapeld zijn met het label «Gepäck».
Gepäck → «ge-pack»; denk aan een pakket bagage.
das → zoals «das Gepäck» (verzamelnaam, onzijdig).
Opmerkingen
Meestal een verzamelnaam en niet-telbaar zelfstandig naamwoord (geen gebruikelijk meervoud). | Alleen enkelvoud; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.