noun
huisman, huisvader, man des huizes
A1
Hausmann betekent een man die het huishouden doet, een ‘huisman’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Hausmann; meervoud: die Hausmänner. In het meervoud zie je umlaut en -er. Verder is de verbuiging gewoon.
Voorbeelden
Der Hausmann bleibt zu Hause und kümmert sich um die Kinder.
De huisman blijft thuis en zorgt voor de kinderen.
Er ist Hausmann und seine Frau geht arbeiten.
Hij is huisman en zijn vrouw gaat werken.
Man sprach über den Hausmann, weil er nach dem Umzug viele Aufgaben übernahm und somit den Alltag erleichterte.
Er werd over de huisman gesproken, omdat hij na de verhuizing veel taken op zich nam en zo het dagelijks leven vergemakkelijkte.
Details
Ezelsbruggetjes
Een man die voor het huis zorgt — „Haus” + „Mann”.
Der Hausmann — „der” voor een man.
Opmerkingen
Meervoud: Hausmänner. Minder gebruikelijk dan Hausfrau, maar steeds vaker gebruikt.