Netz

noun
net, netwerk, web
B1

Netz (o.) betekent ‘net’, ‘netwerk’ of ‘web’, bijvoorbeeld het internet. Meervoud: Netze. Genitief enkelvoud: des Netzes; datief meervoud: den Netzen. Wordt gebruikt voor zowel fysieke netten als abstracte netwerken.

Voorbeelden

Nach dem Ausfall des Netzes konnten die Kunden keine Nachrichten mehr senden, sodass sie die Hotline anriefen.
Na de netwerkstoring konden klanten geen berichten meer sturen, dus belden ze de hotline.
Die Spinne hat ein neues Netz gesponnen.
De spin heeft een nieuw web gesponnen.
Das Computernetz ermöglicht der Firma schnellen Datentransfer; viele Geräte sind an das Netz angeschlossen.
Het computernetwerk maakt snelle gegevensoverdracht voor het bedrijf mogelijk; veel apparaten zijn op het netwerk aangesloten.

Details

MeervoudNetze

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Netzdie Netze
genitivedes Netzesder Netze
dativedem Netzden Netzen
accusativedas Netzdie Netze

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een vissersnet voor dat vissen vangt of een spinnenweb tussen takken.
👂Denk aan het Engelse woord ‘nets’.
⚧️das — stel je een neutraal grijs net voor met het label ‘DAS’ om het onzijdig te onthouden.

Opmerkingen

Netz kan verwijzen naar een fysiek net (bijv. een spinnenweb), een technisch netwerk of meer abstracte netwerken. In computercontext gebruiken Duitsers Netz ook als afkorting voor internet.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek