noun
net, netwerk, web
B1
Netz (o.) betekent ‘net’, ‘netwerk’ of ‘web’, bijvoorbeeld het internet. Meervoud: Netze. Genitief enkelvoud: des Netzes; datief meervoud: den Netzen. Wordt gebruikt voor zowel fysieke netten als abstracte netwerken.
Voorbeelden
Nach dem Ausfall des Netzes konnten die Kunden keine Nachrichten mehr senden, sodass sie die Hotline anriefen.
Na de netwerkstoring konden klanten geen berichten meer sturen, dus belden ze de hotline.
Die Spinne hat ein neues Netz gesponnen.
De spin heeft een nieuw web gesponnen.
Das Computernetz ermöglicht der Firma schnellen Datentransfer; viele Geräte sind an das Netz angeschlossen.
Het computernetwerk maakt snelle gegevensoverdracht voor het bedrijf mogelijk; veel apparaten zijn op het netwerk aangesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vissersnet voor dat vissen vangt of een spinnenweb tussen takken.
Denk aan het Engelse woord ‘nets’.
das — stel je een neutraal grijs net voor met het label ‘DAS’ om het onzijdig te onthouden.
Opmerkingen
Netz kan verwijzen naar een fysiek net (bijv. een spinnenweb), een technisch netwerk of meer abstracte netwerken. In computercontext gebruiken Duitsers Netz ook als afkorting voor internet.