noun
netwerk, computernetwerk, contactennetwerk
B1
Netzwerk is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘netwerk’: een systeem van onderling verbonden elementen, zoals een computernetwerk of een netwerk van contacten. Meervoud: Netzwerke. Genitief enkelvoud: des Netzwerks. Veel gebruikt in IT en zakelijke context.
Voorbeelden
Das Netzwerk im Büro wurde auf Gigabit-Geschwindigkeit aufgerüstet.
Het netwerk op kantoor is opgewaardeerd naar gigabitsnelheid.
Ein gutes berufliches Netzwerk kann bei der Jobsuche sehr hilfreich sein.
Een goed professioneel netwerk kan erg nuttig zijn bij het zoeken naar een baan.
Die Firma baute ein neues Netzwerk auf, damit die Abteilungen schneller Daten austauschen konnten.
Het bedrijf bouwde een nieuw netwerk op, zodat de afdelingen sneller gegevens konden uitwisselen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een diagram voor van mensen of computers die met lijnen verbonden zijn en samen een netwerk vormen.
Netz + Werk = netwerk, zoals ‘net work’ in het Engels.
das — stel je een neutrale blauwe serverbox voor met ‘DAS’ erop om het onzijdig geslacht te onthouden.
Opmerkingen
Netzwerk wordt vaak gebruikt voor sociale/professionele netwerken en ook voor technische computernetwerken. Het meervoud is vaak «Netzwerke».