noun
kostuum, verkleedkostuum, outfit
B1
Kostüm is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘kostuum’, ‘outfit’ of ‘verkleedkostuum’. Meervoud: Kostüme, met umlaut. Gewone verbuiging: das Kostüm, der Kostüme, den Kostümen. Gebruikt voor theater, carnaval en formele kleding.
Voorbeelden
Die Schauspielerin trug ein Kostüm, damit sie die Rolle besser darstellen konnte.
De actrice droeg een kostuum zodat ze de rol beter kon vertolken.
Für Karneval kaufe ich ein neues Kostüm.
Voor carnaval koop ik een nieuw kostuum.
Sie trägt ein schönes Kostüm zur Party.
Ze draagt een mooi kostuum naar het feest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een Halloweenkostuum voor met kleurrijke stof en een masker.
Lijkt op en klinkt als het Engelse «costume».
das — stel je een klein neutraal doosje voor met het kostuum erin: «das Kostüm».
Opmerkingen
Bevat een umlaut (ü); het meervoud is «Kostüme». In informele schrijfwijze wordt soms «Kostuem» gebruikt als umlauts niet beschikbaar zijn.