noun
export
B1
Export is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Export, meervoud Exporte. Het betekent ‘export’ of ‘uitvoer’ van goederen, of het exporteren zelf. Genitief vaak des Exports. Veelgebruikt in economie, handel, logistiek en statistiek.
Voorbeelden
Der Export deutscher Autos ist wichtig für die Wirtschaft.
De export van Duitse auto's is belangrijk voor de economie.
Der Export ist wichtig.
Export is belangrijk.
Die Firma expandierte, weil sie wegen des Exports neue Mitarbeiter einstellte.
Het bedrijf breidde uit omdat het nieuwe werknemers aannam vanwege de export.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je dozen voor die op een schip in een haven worden geladen met het label 'EXPORT'.
Splits in Engelse delen: 'ex-port' — goederen die via een haven naar buiten gaan.
Onthoud 'der Export' — denk aan 'der' als het verzendlabel op een kist.
Opmerkingen
In zakelijke context verwijst 'Export' meestal naar uitgevoerde goederen of de activiteit van exporteren.