telefonieren

verb
telefoneren, bellen
A1

telefonieren betekent ‘telefoneren’ of ‘bellen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet wederkerig en niet scheidbaar. In het perfectum: hat telefoniert. Veelgebruikte constructie: mit + datief (mit jemandem telefonieren). Voor direct bellen gebruik je vaak anrufen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Kollege telefonierte lange, obwohl das Büro geschlossen war, damit er die neuen Informationen klären konnte.
De collega telefoneerde lang, hoewel het kantoor gesloten was, zodat hij de nieuwe informatie kon verduidelijken.
Ich telefoniere jeden Abend mit meiner Mutter.
Ik bel mijn moeder elke avond.
Kannst du bitte später noch einmal anrufen? Ich telefoniere gerade.
Kun je later nog eens bellen? Ik ben nu aan het telefoneren.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es telefoniert
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es telefonierte
Perfekter/sie/es hat telefoniert

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je iemand voor die een telefoon aan zijn oor houdt en praat
👂telefonieren → telephone → telefoneren

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Werkwoord gevormd van «Telefon». Regelmatig -ieren-werkwoord; het perfectum gebruikt «haben» (ich habe telefoniert). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingen zijn niet van toepassing.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichtelefoniere
dutelefonierst
er/sie/estelefoniert
wirtelefonieren
ihrtelefoniert
sie/Sietelefonieren
ichtelefoniere
dutelefonierest
er/sie/estelefoniere
wirtelefonieren
ihrtelefonieret
sie/Sietelefonieren
ichwürde telefonieren
duwürdest telefonieren
er/sie/eswürde telefonieren
wirwürden telefonieren
ihrwürdet telefonieren
sie/Siewürden telefonieren
dutelefonier!
ihrtelefoniert!
Sietelefonieren!