verb
telefoneren, bellen
A1
telefonieren betekent ‘telefoneren’ of ‘bellen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet wederkerig en niet scheidbaar. In het perfectum: hat telefoniert. Veelgebruikte constructie: mit + datief (mit jemandem telefonieren). Voor direct bellen gebruik je vaak anrufen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Kollege telefonierte lange, obwohl das Büro geschlossen war, damit er die neuen Informationen klären konnte.
De collega telefoneerde lang, hoewel het kantoor gesloten was, zodat hij de nieuwe informatie kon verduidelijken.
Ich telefoniere jeden Abend mit meiner Mutter.
Ik bel mijn moeder elke avond.
Kannst du bitte später noch einmal anrufen? Ich telefoniere gerade.
Kun je later nog eens bellen? Ik ben nu aan het telefoneren.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een telefoon aan zijn oor houdt en praat
telefonieren → telephone → telefoneren
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Werkwoord gevormd van «Telefon». Regelmatig -ieren-werkwoord; het perfectum gebruikt «haben» (ich habe telefoniert). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingen zijn niet van toepassing.