noun
hout, houtsoort, timmerhout
B1
Holz is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Holz, meervoud Hölzer. Het betekent ‘hout’ als materiaal, of ‘houten stukken/soorten’. In het enkelvoud is het vaak niet-telbaar; het meervoud gebruik je voor stukken of soorten. Genitief: des Holzes.
Voorbeelden
Wir heizen dieses Jahr mit Holz im Kamin.
Dit jaar stoken we de open haard met hout.
Die Handwerker bauten die Brücke aus Holz, obwohl Experten vor den Witterungseinflüssen gewarnt hatten.
De vaklieden bouwden de brug van hout, hoewel experts hadden gewaarschuwd voor de weersinvloeden.
Das ist Holz.
Dat is hout.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een houten blok voor met het label 'Holz' in een schuurtje.
Klinkt als Engels 'holtz' — denk: 'holz' = 'hout'.
Onzijdig zelfstandig naamwoord: gebruik 'das'. Veel materiaalnamen zijn onzijdig (das Holz).
Opmerkingen
Holz wordt vaak als massanomen gebruikt (hout), maar heeft een meervoud «Hölzer» wanneer het om afzonderlijke stukken of soorten hout gaat.