Holz

noun
hout, houtsoort, timmerhout
B1

Holz is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Holz, meervoud Hölzer. Het betekent ‘hout’ als materiaal, of ‘houten stukken/soorten’. In het enkelvoud is het vaak niet-telbaar; het meervoud gebruik je voor stukken of soorten. Genitief: des Holzes.

Voorbeelden

Wir heizen dieses Jahr mit Holz im Kamin.
Dit jaar stoken we de open haard met hout.
Die Handwerker bauten die Brücke aus Holz, obwohl Experten vor den Witterungseinflüssen gewarnt hatten.
De vaklieden bouwden de brug van hout, hoewel experts hadden gewaarschuwd voor de weersinvloeden.
Das ist Holz.
Dat is hout.

Details

MeervoudHölzer

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Holzdie Hölzer
genitivedes Holzesder Hölzer
dativedem Holzden Hölzern
accusativedas Holzdie Hölzer

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een houten blok voor met het label 'Holz' in een schuurtje.
👂Klinkt als Engels 'holtz' — denk: 'holz' = 'hout'.
⚧️Onzijdig zelfstandig naamwoord: gebruik 'das'. Veel materiaalnamen zijn onzijdig (das Holz).

Opmerkingen

Holz wordt vaak als massanomen gebruikt (hout), maar heeft een meervoud «Hölzer» wanneer het om afzonderlijke stukken of soorten hout gaat.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek