noun
luisteraar, hoorn, ontvanger (telefoon)
B1
Hörer (de, meervoud gelijk: Hörer) betekent afhankelijk van de context „luisteraar” of „telefoonhoorn/hoofdtelefoon”. Genitief enkelvoud: des Hörers. De vrouwelijke vorm is Hörerin. Veel gebruikt in media en telefonie.
Voorbeelden
Der Hörer des alten Telefons war zerbrechlich und lag auf dem Tisch.
De hoorn van de oude telefoon was breekbaar en lag op tafel.
Die Sendung enthielt Musik für die Hörer, damit diese sich nach der Arbeit entspannen konnten.
De uitzending bevatte muziek voor de luisteraars, zodat zij zich na het werk konden ontspannen.
Viele Hörer riefen während der Sendung an, um Fragen zu stellen.
Veel luisteraars belden tijdens de uitzending om vragen te stellen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor die een radioheadset tegen zijn oor houdt — die persoon is de «Hörer».
Klinkt als «hoor-er» — denk aan «hear-er» (iemand die hoort = luisteraar).
der = mannelijk/persoon; onthoud dat «der Hörer» verwijst naar een luisteraar of het mannelijk woord.