noun
pet
B1
Haustier — onzijdig zelfstandig naamwoord: ‘huisdier’, een gedomesticeerd dier dat thuis wordt gehouden. Meervoud: Haustiere. Verbuiging: das Haustier, des Haustiers, die Haustiere. Wordt gebruikt voor hond, kat, vogel enz. Veel voorkomend in teksten over gezin en dierenzorg.
Voorbeelden
Die Familie musste das neue Haustier abgeben, weil der Vermieter die Haltung im Mietvertrag untersagte.
Het gezin moest het nieuwe huisdier wegdoen, omdat de verhuurder het houden ervan in het huurcontract verbood.
Viele Menschen haben ein Haustier, zum Beispiel einen Hund oder eine Katze.
Veel mensen hebben een huisdier, bijvoorbeeld een hond of een kat.
Wir haben ein kleines Haustier, einen freundlichen Hund.
We hebben een klein huisdier, een vriendelijke hond.
Details
Ezelsbruggetjes
Picture a small animal living inside a house with a pet bowl by the door.
Sounds like 'house' + 'tier' (German for animal): 'house-animal' → pet
das Haustier — think 'das' and 'domestic': both start with 'd' (domestic → das)
Opmerkingen
Haustier refers to an animal kept in the home for company (pet). Plural is Haustiere.