noun
haven, 港
B1
Hafen is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘haven’ of ‘port’. Meervoud onregelmatig: Häfen. Verbuiging: der Hafen, des Hafens, dem Hafen, den Hafen. Vaak met in, an, im Hafen. Veel gebruikt in maritieme, commerciële en stedelijke context.
Voorbeelden
Wir fahren zum Hafen, um das Schiff zu sehen.
We gaan naar de haven om het schip te zien.
Ich gehe zum Hafen.
Ik ga naar de haven.
Der Hafen ist voller Schiffe.
De haven is vol schepen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je schepen voor die in een haven liggen met kranen en pakhuizen.
Klinkt een beetje als het Engelse „haven” — een veilige plek voor schepen.
der — stel je een mannelijke havenmeester voor: „der Hafen”.
Opmerkingen
Hafen is een veelgebruikt woord voor zeehavens; „Hafen” kan afhankelijk van de context zowel kleine havens als grote havens aanduiden.