Haar

noun
haar, een haar
A1

Haar is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Haar. Het betekent een enkel haar of haar als geheel. Meervoud: die Haare. In de genitief enkelvoud komt vaak des Haares voor, ook des Haars. Veelgebruikt voor hoofdhaar én losse haren.

Voorbeelden

Die Friseurin fand ein Haar, das noch auf der Bürste klebte, weil der Kunde gerade seinen Mantel ablegte.
De kapster vond een haar dat nog aan de borstel vastzat, omdat de klant net zijn jas aan het uittrekken was.
Ich habe Haare.
Ik heb haar.
Ein Haar liegt auf dem Tisch.
Er ligt een haar op de tafel.

Details

MeervoudHaare

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Haardie Haare
genitivedes Haaresder Haare
dativedem Haarden Haaren
accusativedas Haardie Haare

Ezelsbruggetjes

👁️stel je een enkele haar op een borstel voor
⚧️das (onzijdig) — denk aan ‘das Haar’

Opmerkingen

Enkelvoud kan een enkele haar betekenen («ein Haar») of haar in het algemeen («die Haare» in het meervoud).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek