noun
arm, bovenarm
A1
Arm betekent „arm”, vooral de bovenarm. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Arm, meervoud die Arme. Genitief enkelvoud: des Arms; datief meervoud: den Armen. Je gebruikt het voor één arm of voor beide armen. Gewone mannelijke verbuiging.
Voorbeelden
Sie massiert ihren Arm nach dem Training.
Ze masseert haar arm na de training.
Der Arzt verband den Arm, als der Patient gestern stürzte.
De arts verbond de arm toen de patiënt gisteren viel.
Er bricht sich den Arm beim Skifahren.
Hij brak zijn arm tijdens het skiën.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je arm ergens naar reikt.
klinkt als het Engelse ‘arm’
der — denk aan ‘der Arm’ (veel lichaamsdelen zoals der Kopf zijn vaak mannelijk)
Opmerkingen
Genitief enkelvoud vaak ‘des Arms’ of ‘des Armes’. Zeer veelvoorkomend basiswoord.