Arm

noun
arm, bovenarm
A1

Arm betekent „arm”, vooral de bovenarm. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Arm, meervoud die Arme. Genitief enkelvoud: des Arms; datief meervoud: den Armen. Je gebruikt het voor één arm of voor beide armen. Gewone mannelijke verbuiging.

Voorbeelden

Sie massiert ihren Arm nach dem Training.
Ze masseert haar arm na de training.
Der Arzt verband den Arm, als der Patient gestern stürzte.
De arts verbond de arm toen de patiënt gisteren viel.
Er bricht sich den Arm beim Skifahren.
Hij brak zijn arm tijdens het skiën.

Details

MeervoudArme

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Armdie Arme
genitivedes Armsder Arme
dativedem Armden Armen
accusativeden Armdie Arme

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je arm ergens naar reikt.
👂klinkt als het Engelse ‘arm’
⚧️der — denk aan ‘der Arm’ (veel lichaamsdelen zoals der Kopf zijn vaak mannelijk)

Opmerkingen

Genitief enkelvoud vaak ‘des Arms’ of ‘des Armes’. Zeer veelvoorkomend basiswoord.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek