noun
been
A1
Bein (het) betekent ‘been’. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Bein, meervoud: die Beine. Genitief enkelvoud: des Beins. Regelmatige verbuiging. Het woord wordt ook gebruikt voor onderdelen van meubels, bv. Tischbein = tafelpoot. Veelvoorkomend in het dagelijks taalgebruik.
Voorbeelden
Der Tänzer musste aufhören, nachdem er sich am Bein verletzte, weil die Schmerzen zu stark waren.
De danser moest stoppen nadat hij zijn been had verwond, omdat de pijn te hevig was.
Er hat sich das linke Bein gebrochen.
Hij heeft zijn linkerbeen gebroken.
Mein Bein ist gebrochen.
Mijn been is gebroken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een been voor in de vorm van een lange boon.
Klinkt als Engels ‘bean’ — stel je een boon voor in de vorm van een been.
das — denk aan een neutraal gipsverband (das) om het been.
Opmerkingen
Meervoud: Beine. De genitief kan des Beins of des Beines zijn; des Beins komt in de spreektaal vaker voor.