noun
smaak, voorkeur, goede smaak
B1
Geschmack (de, meervoud: Geschmäcker) betekent „smaak” in letterlijke zin, maar ook „goede smaak” of stijlgevoel. Genitief enkelvoud: des Geschmacks. In het meervoud komt de umlaut: Geschmäcker. Veelgebruikt zelfstandig naamwoord, zonder vaste prepositie.
Voorbeelden
Der Geschmack dieser Suppe ist sehr intensiv.
De smaak van deze soep is erg intens.
Das hat Geschmack.
Dat smaakt goed.
Welchen Geschmack bevorzugst du: süß oder salzig?
Welke smaak prefereer je: zoet of zout?
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een tong voor met het label ‘GESCHMACK’ die verschillende etenswaren proeft
klinkt een beetje als ‘guess mock’ — stel je voor dat je de smaak raadt tijdens een smaaktest
der — stel je een mannelijke chef (der Koch) voor die een proefje van ‘Geschmack’ aanbiedt (der Geschmack)
Opmerkingen
Geschmack verwijst zowel naar smaak in de mond als naar persoonlijke smaak/voorkeuren (guter Geschmack). Meervoud «Geschmäcker» wanneer het om verschillende smaken of smaken/voorkeuren gaat.