noun
geslacht, gender
B1
Geschlecht (het) betekent ‘geslacht’ of ‘gender’, afhankelijk van de context: grammaticaal geslacht, biologisch geslacht of sociale gender. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Geschlecht; meervoud: die Geschlechter; genitief enkelvoud: des Geschlechts. De verbuiging is regelmatig.
Voorbeelden
Bei der Umfrage wurde das Geschlecht der Teilnehmenden erfragt, damit die Ergebnisse nach Gruppen ausgewertet werden konnten.
In de enquête werd naar het geslacht van de deelnemers gevraagd, zodat de resultaten per groep konden worden geanalyseerd.
Bitte geben Sie Ihr Geschlecht an: männlich, weiblich oder divers.
Geef alstublieft uw geslacht aan: mannelijk, vrouwelijk of divers.
Die Diskussion über das Geschlecht ist in vielen Bereichen wichtig.
De discussie over gender is in veel gebieden belangrijk.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer twee gelabelde dozen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ onder de kop GESCHLECHT.
Klinkt als ‘guess-lekt’ — stel je voor dat je iemands groep raadt (gender).
das — denk aan ‘das’ als een neutraal label voor de categorie zelf (das Geschlecht).
Opmerkingen
«Geschlecht» kan zowel «gender» (sociaal/cultureel) als «geslacht» (biologisch) betekenen. Combinaties verschillen per betekenis («soziales Geschlecht» vs. «biologisches Geschlecht»).