noun
gevaar, risico, dreiging
B1
Gefahr betekent „gevaar”, „risico” of „bedreiging”. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; meervoud: Gefahren. Veel gebruikt in waarschuwingen en veiligheidsinstructies. Handige uitdrukkingen: in Gefahr sein, in Gefahr geraten. Geeft een gevaarlijke situatie aan.
Voorbeelden
Chemikalien stellen eine Gefahr für die Umwelt dar.
Chemicaliën vormen een gevaar voor het milieu.
Das ist eine Gefahr.
Dat is een gevaar.
Vorsicht, Gefahr!
Pas op, gevaar!
Details
Ezelsbruggetjes
een fel waarschuwingsdriehoekje met het woord ‘Gefahr’ erin
guh-FAHR — denk aan ‘go far’ (als je te ver gaat, kan het gevaarlijk zijn)
die Gefahr — onthoud ‘die’ (vrouwelijk); denk aan ‘die’ als in deadly/danger om het vrouwelijke te onthouden
Opmerkingen
Veelvoorkomende combinaties: «Gefahr bestehen», «in Gefahr sein», «Gefahr laufen». Vrouwelijk zelfstandig naamwoord; meervoud is «Gefahren».