noun
gedicht
B1
Gedicht (o.) betekent ‘gedicht’ of ‘poëem’. Onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gedicht; meervoud: Gedichte. Regelmatige verbuiging, bijvoorbeeld des Gedichts in de genitief. Gebruik voor één of meerdere gedichten. Veel voorkomend in literatuur en op school.
Voorbeelden
Sie hat gestern ein Gedicht geschrieben.
Ze schreef gisteren een gedicht.
Die Schülerinnen trugen ein Gedicht vor, obwohl der Text schwierig gewesen war.
De leerlinge droegen een gedicht voor, hoewel de tekst moeilijk was geweest.
Er hat ein Gedicht für seine Freundin geschrieben.
Hij schreef een gedicht voor zijn vriendin.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kort bundeltje woorden voor, als een klein pakketje, met het label ‘Gedicht’.
Klinkt als ‘guh-DICHT’ — leg de nadruk op het einde om het woord te onthouden.
Onzijdig (das): onthoud ‘das Gedicht’ — stel je voor dat je naar een gedicht wijst en ‘das’ zegt.
Opmerkingen
Verwijst naar een gedicht of een korte versregel. Het meervoud is «Gedichte». Komt vaak voor in literaire en schoolcontexten.