noun
sprookje, volksverhaal
B1
Märchen betekent een sprookje of volksverhaal. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Märchen; meervoud identiek: die Märchen. Genitief enkelvoud: des Märchens. Veel gebruikt in literatuur en kinderverhalen; let op de lidwoorden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Als Kind habe ich viele Märchen gelesen.
Als kind las ik veel sprookjes.
Der Autor schrieb neue Märchen, obwohl nur wenige Verlage Interesse zeigten.
De auteur schreef nieuwe sprookjes, hoewel slechts enkele uitgevers interesse toonden.
Die Großmutter liest den Kindern ein Märchen vor.
De grootmoeder leest de kinderen een sprookje voor.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een klein geïllustreerd boekje voor waar feeën uit springen.
Klinkt als «mare-chen» — stel je een kleine merrie (mare) voor in een verhalenboek.
Onzijdig (das): stel je het verhalenboek voor in een neutrale doos met het label «das».
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Het meervoud is hetzelfde als het enkelvoud: die Märchen. Gebruik «das Märchen» voor één sprookje.