Spur

noun
spoor, sporen, afdruk, trace
B1

Spur (die Spur) betekent ‘spoor’, ‘teken’ of ‘aanwijzing’, zowel letterlijk als figuurlijk. Meervoud: Spuren. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Regelmatige verbuiging; vaak in samenstellingen zoals Spurensuche en in uitdrukkingen als eine Spur von…

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Hund hinterließ tiefe Spuren im Schnee.
De hond liet diepe sporen achter in de sneeuw.
Die Polizei folgte der Spur, die der Zeuge beschrieb, und fand schließlich das gestohlene Fahrrad.
De politie volgde het spoor dat de getuige beschreef en vond uiteindelijk de gestolen fiets.
Es gab keine Spur vom Täter.
Er was geen spoor van de dader.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALSpuren

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativedie Spurdie Spuren
genitiveder Spurder Spuren
dativeder Spurden Spuren
accusativedie Spurdie Spuren

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je voetafdrukken of bandensporen voor die op een modderig pad achterblijven.
👂Klinkt als het Engelse 'spur' — denk aan wielsporen of dierensporen.
⚧️Gebruik 'die' — denk aan 'die Spur' (het spoor) omdat veel -ur-woorden vrouwelijk zijn.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Spur is veelzijdig: het kan verwijzen naar fysieke sporen (voetafdrukken, bandensporen), sporen als bewijs, of figuurlijke sporen. Veelvoorkomende combinaties zijn 'Spuren hinterlassen' (sporen achterlaten) en juridische of misdaadcontexten.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS