noun
spoor, sporen, afdruk, trace
B1
Spur (die Spur) betekent ‘spoor’, ‘teken’ of ‘aanwijzing’, zowel letterlijk als figuurlijk. Meervoud: Spuren. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Regelmatige verbuiging; vaak in samenstellingen zoals Spurensuche en in uitdrukkingen als eine Spur von…
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Hund hinterließ tiefe Spuren im Schnee.
De hond liet diepe sporen achter in de sneeuw.
Die Polizei folgte der Spur, die der Zeuge beschrieb, und fand schließlich das gestohlene Fahrrad.
De politie volgde het spoor dat de getuige beschreef en vond uiteindelijk de gestolen fiets.
Es gab keine Spur vom Täter.
Er was geen spoor van de dader.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voetafdrukken of bandensporen voor die op een modderig pad achterblijven.
Klinkt als het Engelse 'spur' — denk aan wielsporen of dierensporen.
Gebruik 'die' — denk aan 'die Spur' (het spoor) omdat veel -ur-woorden vrouwelijk zijn.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Spur is veelzijdig: het kan verwijzen naar fysieke sporen (voetafdrukken, bandensporen), sporen als bewijs, of figuurlijke sporen. Veelvoorkomende combinaties zijn 'Spuren hinterlassen' (sporen achterlaten) en juridische of misdaadcontexten.