noun
hotel
A1
Hotel betekent ‘hotel’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Hotel. Meervoud: Hotels, met -s zoals bij veel leenwoorden. De verbuiging is normaal: des Hotels. Veelgebruikt in reizen en logies, zonder bijzondere onregelmatigheden.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Gäste übernachteten im Hotel, obwohl sie zuvor höhere Preise erwartet hatten.
De gasten overnachtten in het hotel, hoewel ze eerder hogere prijzen hadden verwacht.
Ich gehe in ein Hotel.
Ik ga naar een hotel.
Wir haben ein Zimmer im Hotel reserviert.
We hebben een kamer in het hotel gereserveerd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een gebouw voor met een fel bord «Hotel» bij de ingang
hetzelfde als Engels «hotel»
das Hotel — denk aan een neutraal gebouw (das)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vormt in het Duits vaak het meervoud met -s: «Hotels».