noun
televisie, tv, televisietoestel
B1
Fernseher betekent ‘televisietoestel’ of ‘tv-toestel’, dus het apparaat zelf. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Fernseher; meervoud: die Fernseher. Gewone verbuiging: des Fernsehers, dem Fernseher. Niet verwarren met Fernsehen, het medium of de activiteit.
Voorbeelden
Wir haben einen neuen Fernseher gekauft.
We hebben een nieuwe televisie gekocht.
Ich habe einen neuen Fernseher.
Ik heb een nieuwe televisie.
Der Nachbar brachte den Fernseher vorbei, weil der alte im Wohnzimmer kaputt war.
De buurman bracht de televisie langs, omdat de oude in de woonkamer kapot was.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een grote doos met een scherm voor, in de woonkamer.
fern + seher (ziener) — denk aan een ‘ver-ziener’ die beelden van ver weg laat zien.
der (mannelijk) — stel je een man (der) voor die trots naast de televisie staat.
Opmerkingen
Verwar «Fernseher» (het fysieke televisietoestel) niet met «Fernsehen» (het medium/de activiteit).