adjective
klaar, gereed, af
A1
fertig betekent ‘klaar’ of ‘af’. Het wordt vooral predicatief gebruikt met sein: Ich bin fertig. Ook vaak in de uitdrukking mit etwas fertig sein = klaar zijn met iets. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: fertiger, am fertigsten.
Voorbeelden
Ich bin mit der Arbeit fertig.
Ik ben klaar met het werk.
Die Handwerker waren erst fertig, als der Regen endlich aufhörte und die Geräte abgedeckt worden waren.
De vaklieden waren pas klaar toen de regen eindelijk ophield en de apparatuur was afgedekt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vinkje voor en iemand die «fertig!» zegt wanneer een taak klaar is.
Klinkt als «furry», maar denk aan «finished» — «fertig» = klaar/af.
Opmerkingen
Veelvoorkomend predicatief bijvoeglijk naamwoord. «fertig sein» is een veelgebruikte vaste uitdrukking met de betekenis «klaar/af zijn».