verb
vangen, pakken
B1
fangen is een sterk, onscheidbaar werkwoord met de betekenis ‘vangen’, ‘grijpen’ of ‘pakken’. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling a → ä: du fängst, er fängt. Vormen: präteritum fing, voltooid deelwoord gefangen. Perfect met haben.
Voorbeelden
Der Hund fängt den Ball.
De hond vangt de bal.
Der Hund fing die Frisbee, obwohl der Wind stark blies, und er brachte sie danach stolz zurück.
De hond ving de frisbee, hoewel de wind hard waaide, en bracht hem daarna trots terug.
Er fing den Fisch.
Hij ving de vis.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een hond voor die springt en zijn kaken sluit als een tand om een bal te vangen.
Klinkt als Engels «fang» (grijpen) — stel je «fang» voor als een scherpe tand die iets vangt.
Opmerkingen
Sterk werkwoord met klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (du/er: fängst/fängt). Gebruikt «haben» in de voltooide tijden.