fangen

verb
vangen, pakken
B1

fangen is een sterk, onscheidbaar werkwoord met de betekenis ‘vangen’, ‘grijpen’ of ‘pakken’. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling a → ä: du fängst, er fängt. Vormen: präteritum fing, voltooid deelwoord gefangen. Perfect met haben.

Voorbeelden

Der Hund fängt den Ball.
De hond vangt de bal.
Der Hund fing die Frisbee, obwohl der Wind stark blies, und er brachte sie danach stolz zurück.
De hond ving de frisbee, hoewel de wind hard waaide, en bracht hem daarna trots terug.
Er fing den Fisch.
Hij ving de vis.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent vowel a -> ä in du/er (du fängst, er fängt); preterite stem 'fing'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fängt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es fing
Perfekter/sie/es hat gefangen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een hond voor die springt en zijn kaken sluit als een tand om een bal te vangen.
👂Klinkt als Engels «fang» (grijpen) — stel je «fang» voor als een scherpe tand die iets vangt.

Opmerkingen

Sterk werkwoord met klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (du/er: fängst/fängt). Gebruikt «haben» in de voltooide tijden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfange
dufängst
er/sie/esfängt
wirfangen
ihrfangt
sie/Siefangen
ichwerde gefangen
duwirst gefangen
er/sie/eswird gefangen
wirwerden gefangen
ihrwerdet gefangen
sie/Siewerden gefangen
ichfange
dufängest
er/sie/esfange
wirfangen
ihrfänget
sie/Siefangen
ichwerde gefangen
duwerdest gefangen
er/sie/eswerde gefangen
wirwerden gefangen
ihrwerdet gefangen
sie/Siewerden gefangen
ichfinge
dufingest
er/sie/esfinge
wirfingen
ihrfingt
sie/Siefingen
ichwürde gefangen
duwürdest gefangen
er/sie/eswürde gefangen
wirwürden gefangen
ihrwürdet gefangen
sie/Siewürden gefangen
dufang
ihrfangt
Siefangen