verb
springen, opspringen
B1
springen betekent ‘springen’ of ‘huppelen’. Het is een onregelmatig sterk werkwoord: tegenwoordige stam spring-, verleden tijd sprang, voltooid deelwoord gesprungen. In de voltooide tijden gebruikt het sein: ich bin gesprungen. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Ook figuurlijk mogelijk.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Athlet sprang über die Hürde.
De atleet sprong over de horde.
Er sprang über den Zaun.
Hij sprong over het hek.
Der Hund sprang über den Zaun, als das Tor offenstand, sodass der Gärtner ihn zurückrief.
De hond sprong over het hek toen de poort openstond, zodat de tuinman hem terugriep.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die op een trampoline opspringt, de benen buigt en dan de lucht in schiet.
Klinkt als het Engelse «spring», dat ook een snelle opwaartse beweging suggereert.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Een sterk (onregelmatig) onovergankelijk werkwoord van beweging. Gebruikt «sein» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.