werfen

verb
gooien, werpen, smijten
B1

werfen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent „gooien”, „werpen” of „smijten”. In de tegenwoordige tijd is er e→i: du wirfst, er wirft; verleden tijd: warf; voltooid deelwoord: geworfen. Perfekt met haben. Niet wederkerig en niet-scheidbaar.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Er warf den Stein ins Wasser.
Hij gooide de steen in het water.
Der Arbeiter warf die defekte Maschine weg, weil sie eine Gefahr darstellte.
De arbeider gooide de defecte machine weg, omdat die een gevaar vormde.
Du hast das Paket geworfen.
Je hebt het pakket gegooid.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESPresent vowel change e -> i (du wirfst, er wirft); past stem a (warf).

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wirft
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es warf
Perfekter/sie/es hat geworfen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je voor dat je een bal ver weg gooit met een explosieve «werf!»-beweging.
👂Klinkt als «wharf» (waar dingen gegooid kunnen worden?) — denk aan «werf-» ~ Engelse associatie «wharf/throw»

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Werfen is een sterk onregelmatig werkwoord met een klinkerverandering in de tegenwoordige tijd (du wirfst, er wirft) en een onregelmatig enkelvoudig verleden (ich warf). Het gebruikt «haben» als hulpwerkwoord.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichwerfe
duwirfst
er/sie/eswirft
wirwerfen
ihrwerft
sie/Siewerfen
ichwerde geworfen
duwirst geworfen
er/sie/eswird geworfen
wirwerden geworfen
ihrwerdet geworfen
sie/Siewerden geworfen
ichwerfe
duwerfest
er/sie/eswerfe
wirwerfen
ihrwerfet
sie/Siewerfen
ichwerde geworfen
duwerdest geworfen
er/sie/eswerde geworfen
wirwerden geworfen
ihrwerdet geworfen
sie/Siewerden geworfen
ichwürde werfen
duwürdest werfen
er/sie/eswürde werfen
wirwürden werfen
ihrwürdet werfen
sie/Siewürden werfen
ichwürde geworfen
duwürdest geworfen
er/sie/eswürde geworfen
wirwürden geworfen
ihrwürdet geworfen
sie/Siewürden geworfen
duWirf!
ihrWerft!
SieWerfen!