verb
gooien, werpen, smijten
B1
werfen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent „gooien”, „werpen” of „smijten”. In de tegenwoordige tijd is er e→i: du wirfst, er wirft; verleden tijd: warf; voltooid deelwoord: geworfen. Perfekt met haben. Niet wederkerig en niet-scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er warf den Stein ins Wasser.
Hij gooide de steen in het water.
Der Arbeiter warf die defekte Maschine weg, weil sie eine Gefahr darstellte.
De arbeider gooide de defecte machine weg, omdat die een gevaar vormde.
Du hast das Paket geworfen.
Je hebt het pakket gegooid.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een bal ver weg gooit met een explosieve «werf!»-beweging.
Klinkt als «wharf» (waar dingen gegooid kunnen worden?) — denk aan «werf-» ~ Engelse associatie «wharf/throw»
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Werfen is een sterk onregelmatig werkwoord met een klinkerverandering in de tegenwoordige tijd (du wirfst, er wirft) en een onregelmatig enkelvoudig verleden (ich warf). Het gebruikt «haben» als hulpwerkwoord.