verb
tutoyeren, je/jij zeggen
B1
duzen betekent iemand tutoyeren, dus aanspreken met du. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet-reflexief; perfectum: hat geduzt. Het duidt op een sociale overgang van het beleefde Sie naar het informele du. Vormen: duzt, duzte, geduzt.
Voorbeelden
Darf ich dich duzen?
Mag ik je tutoyeren?
Im Deutschkurs duzen sich die Teilnehmer.
In de Duitse les tutoyeren de deelnemers elkaar.
Wir duzen uns.
We tutoyeren elkaar.
Details
Ezelsbruggetjes
Twee mensen schudden elkaar de hand en zeggen meteen „du” tegen elkaar — ze „duzen” elkaar.
Klinkt een beetje als „dozen” — maar denk aan „do” als het informele „you” (du).
Opmerkingen
Duzen is een sociaal/taalkundig werkwoord: het beschrijft de overstap naar het informele tweede persoon „du”. Wees voorzichtig: in formele contexten gebruikt men meestal „siezen” (Sie gebruiken). Regionale en werkpleknormen verschillen.