eben

adverb
net, precies, zojuist
B1

eben is een bijwoord en ook een modaal partikel. Het kan ‘net’, ‘juist’, ‘zojuist’ of ‘precies’ betekenen en wordt vaak gebruikt om iets te bevestigen of te nuanceren: genau eben = ‘precies’. Het is onveranderlijk en heel gebruikelijk in spreektaal.

Voorbeelden

Der Fahrer meinte, dass er eben weggefahren war, bevor die Polizei am Ort eintraf.
De bestuurder zei dat hij net was weggereden voordat de politie ter plaatse aankwam.
Er ist eben nach Hause gegangen.
Hij is net naar huis gegaan.
Das ist eben das Problem.
Dat is nou precies het probleem.

Details

Typemodal

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een perfect vlak tafelblad voor (eben = vlak/precies).
👂Klinkt een beetje als het Engelse «even» — denk aan «even / precies».

Opmerkingen

Eben heeft meerdere betekenissen: tijdelijk («net / zojuist»), modaal/contrastief («precies / zo is het nu eenmaal»), en beschrijvend («vlak / effen» als bijvoeglijk naamwoord in samenstellingen). De context bepaalt de betekenis.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek