verb
spreken
A1
sprechen betekent „spreken”, „praten” of „een taal spreken”. Het komt vaak voor met mit + datief of über + accusatief. Sterk en onregelmatig werkwoord: du sprichst, er spricht; verleden tijd sprach; voltooid deelwoord gesprochen. Perfect met haben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich habe mit dem Chef gesprochen.
Ik heb met de baas gesproken.
Der Direktor sagte, dass er später mit dem Team sprechen würde, wenn die Lage sich verschlechterte.
De directeur zei dat hij later met het team zou spreken als de situatie verslechterde.
Ich spreche Deutsch.
Ik spreek Duits.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een toespraak houdt vanaf een spreekgestoelte.
klinkt als het Engelse „speak” (zelfde basisidee).
niet van toepassing voor werkwoorden
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
„sprechen” is een onregelmatig sterk werkwoord met klinkerverandering in de tegenwoordige tijd (du sprichst, er spricht). Opmerking: Konjunktiv I van de onvoltooid verleden tijd en sommige subtypes van Konjunktiv I van de verleden tijd worden doorgaans niet gebruikt en zijn gemarkeerd als „niet van toepassing”.