blühen

verb
bloeien
B1

blühen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘bloeien’ of figuurlijk ‘tot bloei komen, floreren’. Het is niet scheidbaar en niet wederkerig. In de voltooide tijd: hat geblüht. Voltooid deelwoord: geblüht. Vaak gebruikt in lente- en poëtische contexten.

Voorbeelden

Der Baum hat noch nicht geblüht.
De boom heeft nog niet gebloeid.
Im Frühling beginnen die Blumen zu blühen.
In de lente beginnen de bloemen te bloeien.
Die Blumen blühten im Park, obwohl der Frühling spät begann.
De bloemen bloeiden in het park, hoewel de lente laat was begonnen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es blüht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es blühte
Perfekter/sie/es hat geblüht

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een bloem voor die in de lente langzaam haar blaadjes opent om te ‘bloeien’.
👂Klinkt als het Engelse ‘bloom’ / ‘blue’ — denk aan bloemen die blauwachtig worden terwijl ze opengaan.

Opmerkingen

Veelgebruikt werkwoord voor planten en bloemen. Ook figuurlijk gebruikt (bijv. ‘eine Idee blüht auf’ = een idee bloeit op). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichblühe
dublühst
er/sie/esblüht
wirblühen
ihrblüht
sie/Sieblühen
ichblühe
dublühest
er/sie/esblühe
wirblühen
ihrblühet
sie/Sieblühen
ichwürde blühen
duwürdest blühen
er/sie/eswürde blühen
wirwürden blühen
ihrwürdet blühen
sie/Siewürden blühen
dublühe!
ihrblüht!
Sieblühen!