verb
bloeien
B1
blühen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘bloeien’ of figuurlijk ‘tot bloei komen, floreren’. Het is niet scheidbaar en niet wederkerig. In de voltooide tijd: hat geblüht. Voltooid deelwoord: geblüht. Vaak gebruikt in lente- en poëtische contexten.
Voorbeelden
Der Baum hat noch nicht geblüht.
De boom heeft nog niet gebloeid.
Im Frühling beginnen die Blumen zu blühen.
In de lente beginnen de bloemen te bloeien.
Die Blumen blühten im Park, obwohl der Frühling spät begann.
De bloemen bloeiden in het park, hoewel de lente laat was begonnen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een bloem voor die in de lente langzaam haar blaadjes opent om te ‘bloeien’.
Klinkt als het Engelse ‘bloom’ / ‘blue’ — denk aan bloemen die blauwachtig worden terwijl ze opengaan.
Opmerkingen
Veelgebruikt werkwoord voor planten en bloemen. Ook figuurlijk gebruikt (bijv. ‘eine Idee blüht auf’ = een idee bloeit op). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.