noun
bewijs, bewijsmateriaal
B1
Beweis (m.) betekent ‘bewijs’, ‘proef’ of ‘bewijsmateriaal’, afhankelijk van de context. Meervoud: Beweise. Genitief enkelvoud: des Beweises. Veel gebruikt in logica, recht en alledaags taalgebruik, bv. als Beweis of Beweis für.
Voorbeelden
Der Richter verlangte einen klaren Beweis.
De rechter eiste duidelijk bewijs.
Der Anwalt legte den Beweis vor, obwohl die Richter skeptisch geblieben waren.
De advocaat legde het bewijs voor, hoewel de rechters sceptisch waren gebleven.
Der Beweis fehlt.
Het bewijs ontbreekt.
Details
Ezelsbruggetjes
Klinkt als ‘be-wise’ — om wijs te zijn, heb je bewijs nodig.
Mannelijk: stel je een mannelijke detective voor die een papier vasthoudt met ‘Der Beweis’ erop.
Opmerkingen
Beweis verwijst vaak naar sluitend bewijs of een demonstratie; « Beweis » en « Beweise » (meervoud) kunnen ook worden gebruikt waar het Engels « evidence » gebruikt. In juridische contexten is precieze gebruik belangrijk.