Beweis

noun
bewijs, bewijsmateriaal
B1

Beweis (m.) betekent ‘bewijs’, ‘proef’ of ‘bewijsmateriaal’, afhankelijk van de context. Meervoud: Beweise. Genitief enkelvoud: des Beweises. Veel gebruikt in logica, recht en alledaags taalgebruik, bv. als Beweis of Beweis für.

Voorbeelden

Der Richter verlangte einen klaren Beweis.
De rechter eiste duidelijk bewijs.
Der Anwalt legte den Beweis vor, obwohl die Richter skeptisch geblieben waren.
De advocaat legde het bewijs voor, hoewel de rechters sceptisch waren gebleven.
Der Beweis fehlt.
Het bewijs ontbreekt.

Details

MeervoudBeweise

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Beweisdie Beweise
genitivedes Beweisesder Beweise
dativedem Beweisden Beweisen
accusativeden Beweisdie Beweise

Ezelsbruggetjes

👂Klinkt als ‘be-wise’ — om wijs te zijn, heb je bewijs nodig.
⚧️Mannelijk: stel je een mannelijke detective voor die een papier vasthoudt met ‘Der Beweis’ erop.

Opmerkingen

Beweis verwijst vaak naar sluitend bewijs of een demonstratie; « Beweis » en « Beweise » (meervoud) kunnen ook worden gebruikt waar het Engels « evidence » gebruikt. In juridische contexten is precieze gebruik belangrijk.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek