noun
bezoek, bezoeker
A2
Besuch (m.) betekent bezoek, en soms ouderwets ook bezoeker. Meervoud: Besuche. Je zegt jemanden besuchen voor ‘iemand bezoeken’ met accusatief, en zu Besuch sein voor ‘op bezoek zijn’ met zu + datief. Regelmatige verbuiging, heel gebruikelijk.
Voorbeelden
Der Besuch blieb nur eine Stunde, aber er war herzlich.
De bezoeker bleef maar een uur, maar hij was hartelijk.
Wir bekommen morgen Besuch von meinen Eltern.
Morgen krijgen we bezoek van mijn ouders.
Ich bekomme Besuch.
Ik krijg bezoek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vriend bij je deur voor met een cadeau — dat is een Besuch (een bezoek).
klinkt als ‘be-sook’ — stel je iemand voor die komt om je te ‘zien’ (een bezoek).
der — stel je een mannelijke gastheer voor die zegt: ‘Der Besuch ist da’ (koppel aan het lidwoord ‘der’).
Opmerkingen
Meervoud: Besuche. «Besuch» wordt meestal gebruikt voor zowel de handeling van een bezoek als, minder vaak, de persoon die op bezoek komt, hoewel «Besucher» gebruikelijker is voor «bezoeker».