noun
paar, koppel, tweetal
A2
Paar (onz.) betekent ‘paar’ of ‘stel’, afhankelijk van de context. Het kan gaan om twee bij elkaar horende dingen of om twee personen. Enkelvoud: das Paar; meervoud: die Paare; genitief enkelvoud: des Paares. Vaak gebruikt in de combinatie ein Paar + zelfstandig naamwoord.
Voorbeelden
Das Paar Schuhe passt mir nicht.
Het paar schoenen past me niet.
Wir sind ein Paar.
Wij zijn een stel.
Der Verkäufer gab dem Paar den Gutschein, obwohl der Rabatt eigentlich nur für Stammkunden galt.
De verkoper gaf het paar de voucher, hoewel de korting eigenlijk alleen voor vaste klanten gold.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee bij elkaar passende schoenen voor om 'Paar' te onthouden.
Zoals het Engelse 'pair'.
das (onzijdig) — denk aan 'das Paar' als 'das Team' (één eenheid).
Opmerkingen
Als zelfstandig naamwoord is 'Paar' onzijdig en kan het afhankelijk van de context zowel 'paar' (voorwerpen) als 'stel' (personen) betekenen.