verb
straffen, bestraffen
B1
bestrafen is een regelmatig overgankelijk werkwoord en betekent ‘straffen’ of ‘bestraffen’. Het krijgt een lijdend voorwerp in de accusatief: jemanden bestrafen. Perfectum met haben: hat bestraft. Voltooid deelwoord: bestraft. Niet scheidbaar en niet wederkerend.
Voorbeelden
Ich bestrafe das Kind nicht.
Ik straf het kind niet.
Er ist bestraft worden.
Hij is gestraft.
Der Richter bestrafte den Täter.
De rechter bestrafte de dader.
Details
Ezelsbruggetjes
een rechter die met de hamer slaat en het woord «ban» op een papier gestempeld om straf te onthouden
klinkt als «best ruff punish» — denk aan een strenge «ruff» van een rechter
Opmerkingen
Regelmatig (zwak) werkwoord. Het voorvoegsel be- is onscheidbaar. Komt vaak voor in juridische en disciplinaire contexten.