bestehen

verb
bestaan, slagen voor een examen, bestaan uit
A2

bestehen is een sterk/onregelmatig werkwoord met drie hoofdbetekenissen: ‘bestaan’, ‘slagen voor een examen’ en ‘bestaan uit’. In de betekenis ‘bestaan uit’ hoort de prepositie aus erbij: bestehen aus. Voltooid deelwoord: bestanden; verleden tijd: bestand; perfectum met haben.

Voorbeelden

In dieser Region besteht ein starkes Interesse an erneuerbaren Energien.
In deze regio bestaat er veel belangstelling voor hernieuwbare energie.
Sie hat die Prüfung bestanden und ist sehr erleichtert.
Ze is geslaagd voor het examen en is erg opgelucht.
Er hat die Herausforderung bestanden.
Hij heeft de uitdaging overwonnen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingene -> a in Präteritum (bestand); participle: bestanden

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es besteht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es bestand
Perfekter/sie/es hat bestanden

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een certificaat voor met «BESTEHEN» erop nadat je voor een examen bent geslaagd
👂klinkt als «best-in» — denk aan iets dat «het beste erin» is = het bestaat / houdt stand

Opmerkingen

Meerduidig werkwoord: «bestehen» kan betekenen «bestaan», «slagen voor een examen» of «bestaan uit». Context en aanvullingen bepalen de betekenis. Gebruik het hulpwerkwoord «haben» in het perfectum bij transitief gebruik (bijv. «hat bestanden»).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichbestehe
dubestehst
er/sie/esbesteht
wirbestehen
ihrbesteht
sie/Siebestehen
ichwerde bestanden
duwirst bestanden
er/sie/eswird bestanden
wirwerden bestanden
ihrwerdet bestanden
sie/Siewerden bestanden
ichbestehe
dubestehest
er/sie/esbestehe
wirbestehen
ihrbestehet
sie/Siebestehen
ichwerde bestanden
duwerdest bestanden
er/sie/eswerde bestanden
wirwerden bestanden
ihrwerdet bestanden
sie/Siewerden bestanden
ichwürde bestehen
duwürdest bestehen
er/sie/eswürde bestehen
wirwürden bestehen
ihrwürdet bestehen
sie/Siewürden bestehen
ichwürde bestanden
duwürdest bestanden
er/sie/eswürde bestanden
wirwürden bestanden
ihrwürdet bestanden
sie/Siewürden bestanden
duBesteh!
ihrBesteht!
SieBestehen Sie!