verb
bestaan, slagen voor een examen, bestaan uit
A2
bestehen is een sterk/onregelmatig werkwoord met drie hoofdbetekenissen: ‘bestaan’, ‘slagen voor een examen’ en ‘bestaan uit’. In de betekenis ‘bestaan uit’ hoort de prepositie aus erbij: bestehen aus. Voltooid deelwoord: bestanden; verleden tijd: bestand; perfectum met haben.
Voorbeelden
In dieser Region besteht ein starkes Interesse an erneuerbaren Energien.
In deze regio bestaat er veel belangstelling voor hernieuwbare energie.
Sie hat die Prüfung bestanden und ist sehr erleichtert.
Ze is geslaagd voor het examen en is erg opgelucht.
Er hat die Herausforderung bestanden.
Hij heeft de uitdaging overwonnen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een certificaat voor met «BESTEHEN» erop nadat je voor een examen bent geslaagd
klinkt als «best-in» — denk aan iets dat «het beste erin» is = het bestaat / houdt stand
Opmerkingen
Meerduidig werkwoord: «bestehen» kan betekenen «bestaan», «slagen voor een examen» of «bestaan uit». Context en aanvullingen bepalen de betekenis. Gebruik het hulpwerkwoord «haben» in het perfectum bij transitief gebruik (bijv. «hat bestanden»).